Als je de Randstedeling mag geloven, begint de beschaving ergens bij de ring van Amsterdam en houdt het na de Utrechtse Heuvelrug wel zo’n beetje op. Daar, in dat verre oosten, zou het leven stilstaan. Wij zijn in hun ogen misschien niet ‘modern’ of ‘hip’ genoeg, maar wie de moeite neemt om de N318 af te rijden, merkt dat we hier iets hebben wat zij allang kwijt zijn: rust. Pure, onversneden rust.
Welkom in Wenterswiek.
Ja, we zitten in een uithoek. Dat noemen ze in de Randstad een nadeel, maar wij weten wel beter. Het is onze grootste kracht. Het is als die oude arbeiderswoningen van vroeger: het huisje zelf was misschien klein en bescheiden, maar er zat een enorme groene tuin bij. Een paradijs achter de achterdeur. Zo is Winterswijk ook. We zijn de achtertuin van Nederland, een plek waar de stress van de snelweg en de constante bewijsdrang van de stad als sneeuw voor de zon verdwijnen.
In Wenters ben je gewoon nog een mens, geen nummertje of een LinkedIn-profiel op pootjes. Hier heerst de 'gewoonheid'. Geen pretenties, maar oprechte gezelligheid. Het is een soort veiligheid die elders alleen nog in nostalgische herinneringen bestaat. Als je hier door het coulisselandschap fietst, voel je de rijkdom die niet in euro’s uit te drukken is. De geur van vers gras, het groetende knikje van een buurman, de stilte die hier nog écht stil is.
Voor de 'nieuwkomers' — de mensen die de drukte ontvluchten — voelt Winterswijk vaak als thuiskomen op een plek waar ze nog nooit zijn geweest. Ze verbazen zich over het gebrek aan ellebogenwerk. Hier hoef je niet de slimste of de modernste te zijn; hier mag je gewoon wesjen.
Laat de Randstad maar rennen en vliegen. Laat ze maar denken dat het in de uithoek saai is. Terwijl zij vaststaan in de file en in de rij voor een havermelk-latte, zitten wij hier in onze grote groene tuin. Met de benen op tafel en een tevreden glimlach. Want wij weten: nergens voelt het zo vertrouwd als hier.
In Wenterswiek binn’ wi’j thuus. En dat is de grootste rijkdom die een mens zich kan wensen.